Veilig in het verkeer
Verkeerslessen voor groep 1 t/m 8

Verkeer groep 4 · Les 1 · Wie rijdt waar?

VERKEER · GROEP 4 · LES 1

Wie rijdt waar?

Ben jij voetganger of bestuurder?

1 / 18
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerkeerNT2BasisschoolISKGroep 1-4

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min
Dit is niet oké

Introductie

Leerlingen leren het verschil tussen een voetganger en een bestuurder: wie fietst, op een scooter rijdt of paardrijdt is bestuurder. Wie loopt, stept, skatet of met de fiets aan de hand loopt is voetganger. Ze ontdekken wie waar op de weg hoort (stoep, fietspad, fietsstrook en rijbaan), leren de eerste verkeersborden. Een interactie les met een zoekplaat, een sta-op-spel, een peiling, sleepvragen en doe-opdracht voor op weg naar huis. Les 1 van groep 4 in de methode Veilig in het verkeer sluit aan bij SLO kerndoel 35 en het VVN-thema Plaats op de weg.

Instructies

Voorbereiding (10 minuten)
- Print het werkblad 'Bordenjacht' uit.

Duur
Ongeveer 40 minuten in de klas.

Navigatie:
De pijltjestoets naar rechts is jouw navigatie in deze les. Deze activeert gifjes, laat tekst verschijnen en gaat door naar de volgende slide. Doorloop de les een keer in de Geef les-modus om te ervaren waar de activatie-momenten zitten.

Docentnotities
Bij elke slide staat extra informatie, het goede antwoord en vragen om dieper op de inhoud in te gaan.

Werkbladen

Onderdelen in deze les

VERKEER · GROEP 4 · LES 1

Wie rijdt waar?

Ben jij voetganger of bestuurder?

Les 1 van groep 4 in de leerlijn verkeer. In groep 3 leerden de kinderen een veilige plek kiezen om over te steken en wie er in het verkeer werkt. Nu gaat het om het verschil tussen een voetganger en een bestuurder, en om de plek op de weg: stoep, fietspad, fietsstrook en rijbaan, met de borden die erbij horen. In les 2 gaat het over zien en gezien worden.

Duur: ongeveer 40 minuten. De bordenjacht doen de kinderen op weg naar huis.

Dit ga je leren

Ik kan benoemen wie voetganger en wie bestuurder is.

En ik kan benoemen waar iedereen hoort te bewegen.

Lees het doel samen voor. Vraag: wat is een voetganger? Wat is een bestuurder? Laat een paar kinderen iets zeggen, maar verbeter nog niets. Aan het eind van de les kijk je of ze het nu wel weten.

Wat klopt hier niet?

Kijkplaat

Je ziet een straat waar het een en ander door elkaar loopt. Laat de leerlingen eerst rustig kijken. Wat zie je? Wat klopt er wel, en wat niet?

Kies nu zelf waar je de nadruk op legt: Eerst op alle personen en voertuigen die goed staan of ga je op zoek naar de fouten.

Klik op de verkeersdeelnemers en er verschijnt een groen vinkje (staat goed) of een rood kruisje (fout).

Bespreek met elkaar waarom de verkeersdeelnemer fout staat en waar deze dan wél zou moeten staan.

De step is best lastig, want veel leerlingen denken dat een step op het fietspad hoort, want hij heeft wielen. Maar een step hoort op de stoep, dit komt later in de les terug. Verderop in de les zie je dezelfde straat zoals het hoort.

Voetganger of bestuurder?

Bestuurder

Je fietst of je rijdt.

Voetganger

Je loopt. Ook naast je fiets!



Vraag: wat zou jij doen als je band lek is? (Afstappen, de fiets aan de hand nemen en over de stoep lopen. Met een lekke band fietsen gaat slecht en maakt je band en wiel kapot.)

Een bestuurder bestuurt iets dat rijdt: een fiets, een scooter, een auto, een bus. Ook wie op een paard rijdt, is bestuurder. Een voetganger loopt. Ook wie stept, skatet of met de fiets aan de hand loopt, is voetganger.

Vraag: het gaat dus niet om wat je bij je hebt, maar om wat je doet. Fiets je? Dan ben je bestuurder. Loop je? Dan ben je voetganger.

Sta op als het een bestuurder is!

paard rijden

skaten

scooter rijden

steppen

fietsen

fiets aan de hand

Sta-op-spel met flitskaartjes. Iedereen zit. De zes kaartjes liggen omgekeerd. Klik: er draait een kaartje om. Lees voor wat erop staat. Is het een bestuurder? Dan gaan de kinderen staan. Is het een voetganger? Dan blijven ze zitten. Bespreek het antwoord, laat iedereen weer gaan zitten, en klik pas dan voor het volgende kaartje. De kaartjes draaien niet van links naar rechts om, maar door elkaar.

Volgorde en antwoorden:

  1. Paard rijden: bestuurder. Dat verrast veel kinderen. Wie paardrijdt, bestuurt het paard en houdt zich

aan dezelfde regels als een fietser.

  1. Skaten: voetganger.

  2. Scooter rijden: bestuurder.

  3. Steppen: voetganger.

  4. Fietsen: bestuurder.

  5. Fiets aan de hand: voetganger. Hij fietst niet, hij loopt.

Verwachte fout: bij de step en het skateboard gaan kinderen staan, want "die hebben wielen". Vraag: wat doe je met je benen? Je loopt of je duwt jezelf af. Daarom ben je voetganger.

Zit er iemand in een rolstoel bij jou in de buurt? Wie in een rolstoel zit, is ook voetganger en mag over de stoep.

1

🚶 Lopend

2

🚲 Op de fiets

3

🛴 Op de step

4

🚗 Achterop of in de auto

5

🚌 Met de bus

Hoe kwam jij vandaag naar school?

Laat iedereen kiezen. Bespreek de uitslag: wie was er vanochtend een voetganger? (Lopen en steppen.) Wie was een bestuurder? (Fietsen.)

En wie achterop zat of in de auto of bus zat? Die bestuurt niets: dat is een passagier. Wie er bij jou op de fiets of in de auto stuurt, is de bestuurder.

Kinderen die zelf fietsen, zijn al echte bestuurders. Daarom moeten zij weten waar ze horen: dat is het volgende deel van de les.

Zo hoort het!

de stoep - voor voetgangers

het fietspad - voor fietsers

de rijbaan - voor auto's

Dezelfde straat als aan het begin, maar nu staat iedereen goed. Laat de kinderen eerst vergelijken: wat is er veranderd?

Klik drie keer voor de namen.

  • De stoep (ook: het trottoir) is voor voetgangers. Ook voor het meisje met de step en de jongen met

zijn fiets aan de hand.

  • Het fietspad is voor fietsers. Er zit een stoeprand of een strook gras tussen het fietspad en de

auto's.

  • De rijbaan is voor auto's, bussen en vrachtwagens. Kijk: de auto rijdt aan de kant van de stoep

naar links, de vrachtwagen aan de andere kant naar rechts. In Nederland rijdt iedereen rechts.

Vraag: hoe heet de plek waar jij loopt als je naar school gaat?

Fietspad of fietsstrook?

Het fietspad ligt naast de weg.

De fietsstrook ligt op de weg.

Allebei rood, allebei voor fietsers. Wat is het verschil?

Links: een fietspad. Dat ligt los van de weg. Er zit gras, een stoeprand of een rijtje paaltjes tussen het fietspad en de auto's.

Klik: rechts een fietsstrook. Die ligt op de rijbaan zelf. Alleen een witte streep zit tussen jou en de auto's, die rijden dus vlak naast je. Op een fietsstrook let je extra goed op.

Vraag: is er bij jou in de buurt een fietspad of een fietsstrook? Waar?

Borden voor voetpad en fietspad

Een blauw rond bord zegt wie hier moet lopen of fietsen.

Voetpad

voor voetgangers

Fietspad

voor fietsers

Fiets en brommer

voor allebei

Zwart bordje

fietsen mag, het hoeft niet

Klik vier keer, één bord per klik.

  • G7 voetpad: alleen voor voetgangers.

  • G11 (verplicht) fietspad: fietsers moeten dit pad gebruiken.

  • G12a fiets/bromfietspad: fietsers én brommers moeten dit pad gebruiken.

  • G13 onverplicht fietspad: het zwarte bordje met het woord "fietspad". Fietsers mogen hier

fietsen, maar het hoeft niet. Brommers mogen er niet rijden.

Blauw en rond betekent: dit moet. In groep 5 komen de vormen en kleuren van alle borden aan bod. Vraag: welk bord staat er bij ons bij de school?

Geen fietspad? Fiets rechts!

Is er geen fietspad? Dan fiets je op de rijbaan.

Houd rechts. Dan kan de auto je voorbij.

De weg van achteren gezien: je fietst met het kind mee. Er is geen fietspad en geen fietsstrook. Waar fietst het kind? Rechts op de rijbaan. Wat gebeurt er? Een auto komt van achteren en haalt het kind in. Omdat het kind rechts fietst, is er genoeg ruimte.

Laat de kinderen even opstaan en hun rechterhand opsteken: daar is rechts.

Regel: alle bestuurders houden zo veel mogelijk rechts. Ook op het fietspad fiets je rechts, zodat anderen je kunnen inhalen. Rechts fietsen is niet: helemaal tegen de stoeprand aan. Blijf een stukje van de rand af, dan raak je hem niet met je trapper.

STOP

Even checken!

Weet jij wie waar hoort op de weg?

Deze slide heeft geen instructies

Sleep iedereen naar de goede plek.

de stoep

het fietspad

de rijbaan

Laat kinderen om de beurt een plaatje slepen en vertellen waarom het daar hoort.

Goed: stoep - de jongen die loopt, het meisje met de step, de jongen met zijn fiets aan de hand en de jongen op het skateboard. Fietspad - het meisje op de fiets. Rijbaan - de auto en de vrachtwagen.

Verwachte fout: de step, het skateboard of de jongen met de fiets aan de hand op het fietspad zetten. Vraag: fietst hij? Nee, hij loopt. Dan is hij voetganger en hoort hij op de stoep. Bespreek ook: is er geen fietspad, dan fietst het meisje rechts op de rijbaan.

Er is geen fietspad. Waar fiets jij?

A

Op de stoep

B

Rechts op de rijbaan

C

Midden op de weg

Goed: rechts op de rijbaan. Zo houden de auto's ruimte om je in te halen.

Verwachte fouten: "op de stoep", omdat dat veiliger voelt. Maar de stoep is voor voetgangers, en daar fiets je hen omver. Kinderen tot een jaar of 7 fietsen soms nog op de stoep met een groot mens erbij; wie in groep 4 echt fietst, hoort op de weg. "Midden op de weg" is gevaarlijk: auto's moeten dan om je heen, aan de verkeerde kant.

Voor wie is dit bord? Sleep het bord.

voetgangers

fietsers

fietsers en brommers

Goed: G7 (voetganger) bij voetgangers. G11 (fiets) en het zwarte bordje "fietspad" (G13) bij fietsers. G12a (fiets en brommer) bij fietsers en brommers.

Verwachte fout: het zwarte bordje overslaan omdat het niet blauw en rond is, of G11 en G12a door elkaar halen. Laat goed kijken: staat er alleen een fiets op het bord, of ook een brommer?

Doe-opdracht - bordenjacht

Zoek op weg naar huis een blauw rond bord.

Voor wie is het bord?

Vertel het morgen in de klas!

Bordenjacht. Geef de kinderen deze opdracht mee naar huis: kijk op weg naar huis goed om je heen. Zie je een blauw rond bord of het zwarte bordje "fietspad"? Onthoud waar het staat en voor wie het is. Wie wil, maakt samen met een ouder een foto, of tekent het bord thuis na.

Begin de volgende les met een rondje: wie heeft een bord gevonden? Waar? Voor wie is het? Hang de tekeningen en foto's bij elkaar en maak er een bordenkaart van de buurt van.

Liever in schooltijd? Loop samen een rondje om de school en zoek de borden en de fietspaden. Wie ziet als eerste een bord?

Je gaat met je step naar school. Waar hoor jij?

Goed antwoord: op de stoep, want wie stept is een voetganger.

Verwachte fout: "op het fietspad, want een step heeft wielen". Kijk na de les welke kinderen dit nog denken en herhaal het verschil voetganger - bestuurder kort aan het begin van les 2.

Verkeerswoorden

de voetganger - je loopt, stept of skatet

de bestuurder - je fietst of je rijdt

de stoep (het trottoir) - hier lopen voetgangers

het fietspad - een pad voor fietsers naast de weg

de fietsstrook - een rode strook voor fietsers op de weg

de rijbaan - hier rijden auto's; fiets je hier, dan houd je rechts

Deze slide heeft geen instructies

VERKEER · GROEP 4

Goed gedaan!

De verkeerslessen van groep 4

L E S 1 · D E Z E L E S

Wie rijdt waar?

L E S 2 

Zien en gezien worden

Meer verkeerslessen voor groep 1 tot en met 8?

Kijk op de kanaalstart van Veilig in het verkeer:

Slotslide van groep 4, les 2: Zien en gezien worden. Les 1, Wie rijdt waar?, staat er licht bij; heb je die nog niet gegeven, dan kan dat nog. Onder de verwijzing is ruimte voor de link naar de kanaalstart van Veilig in het verkeer, met alle lessen voor groep 1 tot en met 8.